Amsterdamse artsen in Malawi: ‘Je ziet daar wat écht belangrijk is in de gezondheidszorg’

Dit artikel verscheen op 7 december 2020 in Het Parool.

Een Amsterdams artsenechtpaar ontdekte in Malawi de essentie van hun vak. ‘De ambulances zijn daar gewoon Toyota Landcruisers met een zuurstoftank.’

“Eén momentje… Sorry, ik moet heel even ergens naar kijken.” Tijdens ons eerste gesprek, begin november, is Job Calis in Malawi. We bellen via Whatsapp. Calis is twee weken terug in Blantyre, de tweede stad van Malawi, om de kinder-intensive care van het Queen Elizabeth ­Central Hospital te ondersteunen. Op de achtergrond klinkt een verpleegkundige. Er is net een driejarige jongen binnengebracht die iets giftigs heeft ingeslikt. De verpleegkundige vraagt Calis naar de beste behandeling.

In 2018 vertrok kinderarts-intensivist Job Calis (43) met zijn vrouw, neonatoloog Tessa de Baat (41), en hun twee jonge dochters voor een jaar naar Malawi om een kinder-intensive care op te zetten. Beiden werken in Amsterdam UMC; Calis in locatie AMC, De Baat in locatie VU. Het doel was om met expertise uit Europa een nieuwe afdeling in het plaatselijke ziekenhuis te realiseren, om kinderen die anders niet kunnen worden behandeld een kans te geven.

Met dank aan Madonna

De kinder-ic maakt deel uit van het Mercy James Centre, vernoemd naar een van de kinderen van popicoon Madonna, die vier Malawiaanse kinderen adopteerde en het ­project deels financierde. Dit jaar werd een officiële samenwerking tussen het Queen Elizabeth Central Hospital en het Emma Kinderziekenhuis van Amsterdam UMC ­beklonken, onder de naam EmMalawi. Een feestelijk ­moment, precies in het jaar dat het Amsterdam Centre for Global Child Health zijn 20-jarig jubileum viert.

In het kader van deze samenwerking reizen Nederlandse artsen af naar Blantyre om het ziekenhuis te ondersteunen, en reizen Malawiaanse verpleegkundigen naar ­Nederland voor opleidingstrajecten. Dit jaar ging dat als gevolg van de coronacrisis voor een groot deel niet door. Ook voor Calis waren de twee weken in november het eerste bezoek sinds de pandemie begon. Terwijl hij meestal eens in de paar maanden teruggaat.

Calis’ interesse in Malawi begon min of meer toevallig. De zus van een collega van zijn ouders woonde en werkte in het Afrikaanse land. “Op de lagere school hebben we een keer geld ingezameld voor Malawi, maar mijn betrokkenheid was waarschijnlijk niet veel groter geworden als ik niet aan het eind van mijn studie geneeskunde een stage in het buitenland had willen doen. Toen heeft diezelfde connectie me geholpen een stageplaats te vinden in Malawi. Daar is alles begonnen.”

Die stage leidde Calis naar een groter onderzoek naar bloedarmoede, waar hij op promoveerde en dat hem meermaals terugbracht naar Malawi. “Via een Nederlandse kinderchirurg die al zijn hele leven in Malawi werkt, kwam toen het verzoek of ik wilde helpen met het opzetten van de kinder-ic.”

Stap terug in de tijd

Daar had Calis wel oren naar, maar het had nog aardig wat voeten in de aarde. “Ik kreeg gelukkig de garantie dat ik na een jaar verlof mijn baan terug zou krijgen.”

“En ik kon zowaar mijn fellowship een jaar pauzeren,” vertelt De Baat. “Ik wilde altijd al een periode in de tropen werken, maar zat hier in Amsterdam midden in een opleidingstraject.” Ook hun dochters, toen twee en vijf jaar, moesten mee. “We hebben veel nagedacht over de termijn van ons verblijf. Wat is lang genoeg om iets zinvols te doen daar, maar is voor de kinderen nog te overzien?” zegt Calis.

“Uiteindelijk hebben we er veel langer over gediscussieerd dan de meiden nodig hadden om te acclimatiseren,” valt De Baat hem bij. “Na drie dagen waren ze gewend. Kinderen zijn heel onbevangen, het is allemaal interessant en leuk en spannend. Ik vroeg ze vorige week waar ze naartoe willen op ­vakantie, zodra dat weer kan, en allebei riepen ze meteen ‘Malawi!’. Ze zijn wel heel happy geweest daar.”

Omdat hun dochters het erg naar hun zin hadden op de internationale school, had De Baat meer tijd dan ze had verwacht. “Ik ging aanvankelijk mee om voor onze eigen kinderen te zorgen, maar toen ik mijn handen vrij had, wilde ik ergens aan bijdragen. Toen ben ik onderzoek gaan doen naar sepsis (bloedvergiftiging) bij pasgeboren ­baby’s.”

Iets dat in Afrika veel meer voorkomt dan in Nederland en door gebrek aan personeel en middelen vaak veel ernstiger verloopt. “Als je alleen de westerse gezondheidszorg kent, realiseer je je niet hoe verwend wij zijn,” zegt De Baat. “Dat begint bij een basaal iets als het hebben van verpleegkundigen. Maar ook diagnostische mogelijkheden, medicijnen, hygiëne.”

“En alle spullen, apparatuur en voorraden,” voegt Calis toe. “Zelfs basisvoorwaarden als water en stroom. Die dingen zijn daar wel, maar niet honderd procent van de tijd. Bij het opzetten van de ic kwam ik erachter dat zo’n afdeling veel meer is dan patiënten behandelen: er zit ook een hele logistiek achter, een apotheek, bevoorrading. Daar zijn in Nederland speciale afdelingen voor. Werken in Afrika is bijna alsof je een stap terug in de tijd zet.”

Wegwerponderdelen

Maar dat heeft ook grote voordelen, meent Calis. “Je ziet daar wat écht belangrijk is in de gezondheidszorg. Wat dat betreft kunnen wij westerlingen in Afrika heel veel leren. Door de omstandigheden snap je beter waar de essentie moet liggen. En van je patiënten leer je, omdat je in korte tijd ontzettend veel verschillende ziektes ziet die in ­Nederland amper voorkomen. ­EmMalawi is daarom niet alleen nuttig voor het ziekenhuis in Malawi, maar ook voor Nederlandse artsen en verpleegkundigen.”

“In een ontwikkelingsland moet je duurzaam te werk gaan,” zegt De Baat. “Als je denkt: ik ga gewoon even een bijdrage leveren en dan vertrek ik weer, werkt het niet. Stel, je introduceert een nieuw soort antibioticum bij de behandelende artsen, dan moet je ook de aanvoerroute voor dat medicijn organiseren. Anders kan je hulp averechts werken.”

“Zo kwamen wij erachter dat de monitors die we in Malawi introduceerden, helemaal niet geschikt waren,” legt Calis uit. “Die hadden een aantal wegwerponderdelen die je daar niet goed kon krijgen. We zijn nu met een Nederlands bedrijf een monitor aan het ontwikkelen. Daar hebben we een technische universiteit in Malawi bij betrokken. We werken samen en ter plekke. Als je het op de lange termijn wil laten lukken, moet je met de mensen dáár plannen maken. Er is een Afrikaans gezegde: If you want to travel fast, travel alone. If you want to travel far, travel together. Daar hebben we het motto van onze samenwerking van gemaakt.”

Langdurige samenwerking

Soms werpt zo’n traag proces ineens vruchten af. Calis en De Baat kijken elkaar glimlachend aan. De Baat: “Ik moet aan dat meisje denken, met Guillain-Barré.” Calis knikt. “De eerste keer dat we daar als team dachten: hé, we kunnen dit.”

Guillain-Barré is een auto-immuunaan­doening waardoor delen van het lichaam tijdelijk verlamd raken. Soms moeten kinderen die het krijgen aan de beademing – dit meisje ook. “Kinderen die haar voor waren gegaan overleden omdat er geen afdeling was die hen kon behandelen. Zij overleefde het, en kwam een paar weken later lopend en lachend de afdeling op. Door de ic had zij ineens een kans gekregen.”

Dat geldt ook voor het kind dat was aangevallen door een hyena, de Siamese tweeling, die van elkaar gesplitst moest worden en talloze andere kinderen die van soms wel ­duizend kilometer ver naar Blantyre worden gereden. “In ambulances die eigenlijk gewoon Toyota Landcruisers met een zuurstoftank zijn – waarvan je dan hoopt dat die tank niet halverwege opeens leeg is.”

Daarom zouden ze het zeker nog een keer doen, zo’n buitenlands avontuur. “Maar wat in dit geval het succes heeft gebracht, is de langdurige samenwerking tussen Queen Elizabeth Central Hospital en het Emma Kinderziekenhuis,” zegt Calis. “Wie weet is onze samenwerking een mooi voorbeeld voor initiatieven in andere landen – daar zou ik zeker graag bij betrokken zijn.”

Meer informatie over het onlangs gelanceerde Amsterdam Centre for Global Child Health is te vinden op www.globalchildhealth.nl.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *